< terug naar overzicht

Uit de franchiseovereenkomst en daarmee samenhangende overeenkomsten vloeien doorgaans verschillende betalingsverplichtingen voort waar een franchisenemer aan dient te voldoen. Om allerlei redenen kan een (forse) betalingsachterstand ontstaan. Middels een kort geding kan franchisegever een bedrag als voorschot op het door franchisenemer verschuldigde bedrag vorderen. Echter, een geldvordering kan in kort geding enkel worden toegewezen als aan een drietal criteria is voldaan alsook franchisenemers geen noemenswaardige verweren aanvoert.

In een recent kort geding heeft de voorzieningenrechter de geldvordering van franchisegever afgewezen, omdat franchisenemer op grond van dwaling buitengerechtelijk de vernietiging van de franchiseovereenkomst en alle daarmee samenhangende overeenkomsten heeft ingeroepen waarmee de grondslag van de vordering van franchisegever is vervallen.

Betalingsverplichtingen franchisenemer

Op 20 oktober 2015 hebben partijen een franchiseovereenkomst met elkaar gesloten op grond waarvan franchisenemer het recht heeft verkregen om, tegen betaling van onder meer franchise fee, de franchiseformule ‘Eye Wish Opticiens’ te exploiteren. Naast de franchise fee betaalt franchisenemer maandelijks een huurprijs alsook transportkosten, kosten voor inkoop en levering en overige kosten.

Tot medio juni 2016 heeft franchisenemer aan haar betalingsverplichtingen jegens franchisegever voldaan. Daarna is een betalingsachterstand ontstaan, welke op 5 december 2018 circa € 330.000,- bedroeg. Aangezien franchisegever en franchisenemer kennelijk niet in staat waren tot de ontstane impasse in der minne op te lossen, heeft franchisegever in kort geding veroordeling van franchisenemer gevorderd tot betaling van het verschuldigde totaalbedrag.

Vereisten geldvordering in kort geding

Het is mogelijk een geldvordering voor te leggen aan de voorzieningenrechter. De vereisten voor toewijzing van de geldvordering in kort geding, zijn (kort samengevat):

  1. het bestaan en de omvang van de vordering moeten voldoende aannemelijk zijn;
  2. er moet een spoedeisend belang zijn, dat een onmiddellijke voorziening vereist; en
  3. er moet geen restitutierisico zijn.

Naar de mening van franchisegever was (uiteraard) aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldaan. De door franchisenemer op grond van dwaling ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomsten zou volgens franchisegever niet zijn onderbouwd en om die reden geen stand houden.

Oordeel voorzieningenrechter over geldvordering franchisegever

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat op basis van de door partijen in het geding gebrachte stukken en gelet op het gemotiveerde verweer van franchisenemer, het bestaan en de omvang van de vordering van franchisegever voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden. In dit stadium moet immers rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat haar tot vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomsten strekkende verklaring, zulks op grond van dwaling, in een bodemprocedure gegrond wordt geacht, aldus de voorzieningenrechter.

Conclusie

Door in het kort geding een beroep te doen op dwaling heeft franchisenemer derhalve met succes de vordering van franchisegever getorpedeerd. Dit betekent overigens niet dat als in een eventuele bodemprocedure niet kan worden aangetoond dat franchisenemer feitelijk heeft gedwaald franchisegever alsdan geen vordering op franchisenemer heeft. Immers, in een dergelijk geval kan de vordering van franchisegever alsnog worden toegewezen.

Informatie

Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met ons kantoor op telefoonnummer 010 – 209 27 77 of per e-mail info@lvh-advocaten.nl.

Categories: berichten, nieuws