In een eerder artikel Conflicten en tegenstrijdige belangen tussen aandeelhouders – LVH advocaten Rotterdam) schreef ik over de verhouding tussen aandeelhouders die soms net een huwelijk is dat kan leiden tot een vechtscheiding. Een bestaand probleem was dat er geen adequate juridische route was voor aandeelhouders in een conflict die uit elkaar zouden moeten. Er was geen wettelijke regeling die het mogelijk maakt de relatie op een efficiënte wijze te verbreken, zonder dat de onderneming daaronder hoeft te lijden (zie het artikel Patstelling tussen bestuurders die ook aandeelhouder zijn: wat te doen? – LVH advocaten Rotterdam?
Nieuwe wetgeving
Per 1 januari 2025 is de nieuwe wetgeving in werking getreden die in mijn eerdere artikel al werd gesignaleerd. Een aandeelhouder kan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam verzoeken een andere aandeelhouder ‘uit te stoten’ wanneer de gedragingen van deze aandeelhouder zodanig zijn dat het belang van de vennootschap zodanig wordt geschaad dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat de betreffende aandeelhouder blijft. De Ondernemingskamer wordt gevraagd de andere aandeelhouder te veroordelen zijn aandelen te verkopen, normaliter aan de mede-aandeelhouder die het verzoek heeft ingediend of aan de vennootschap zelf.
Alternatief kan de aandeelhouder die zelf wil vertrekken ook vragen dat de andere aandeelhouder(s) of de vennootschap worden veroordeeld zijn aandelen te kopen. Zijn de aandeelhouders het met elkaar eens dat een van hen beiden dient te vertrekken, maar lukt het door onenigheid en discussies niet om te komen tot een prijs die voor de aandelen moet worden betaald, dan is er de mogelijkheid gekomen de Ondernemingskamer te vragen een deskundige aan te stellen die de waarde van de aandelen bepaalt. Voorheen was er al de mogelijkheid de rechter te vragen een aandeelhouder te verplichten zijn aandelen af te staan, maar door allerhande obstakels was dit een zeer moeizame route. Bedoeling van de nieuwe wetgeving was de aandeelhouders wel een route te bieden om uit elkaar te gaan en de daarvoor benodigde medewerking af te dwingen van de ander(en).
Ervaringen in de praktijk
In de praktijk is gebleken dat vrij veel gebruik wordt gemaakt van de verruimde mogelijkheden. Ik ervaar het als een belangrijk voordeel dat de doorlooptijd van de procedure relatief snel is. Na het indienen van het verzoekschrift vindt de zitting binnen enkele maanden al plaats en moet daaraan voorafgaand het schriftelijk verweer van de andere partij al worden ingediend. Een beslissing volgt in zijn algemeenheid zo’n twee a drie maanden na de zitting. Daarmee is de procedure al dubbel zo snel als een gemiddelde bodemprocedure bij de rechtbank. Daar komt dan nog bij dat de Ondernemingskamer in een keer beslist, zonder hoger beroep terwijl in de reguliere bodemprocedure na het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld kan worden dat zomaar twee jaar doorlooptijd kan hebben.
De wettelijke regeling biedt de Ondernemingskamer de mogelijkheid om ook buiten datgene wat de partijen hebben gevorderd te bezien of en zo ja welke maatregelen er nodig zijn ten behoeve van de vennootschap. Daar wordt enerzijds gebruik van gemaakt en anderzijds wordt het gebruikt om partijen te beïnvloeden om te komen tot een oplossing in overleg. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een minderheidsaandeelhouder die meent dat binnen de b.v. sprake is geweest van ondeugdelijk beleid of besluiten die hem schaden, een onderzoek vraagt naar de gang van zaken. Zo’n onderzoek duurt lang, kost veel geld en levert eerder munitie voor meer conflicten dan een oplossing. De Ondernemingskamer kan besluiten in plaats of voorafgaand aan zo’n onderzoek een nieuwe, onafhankelijk bestuurder of toezichthouder aan te stellen. De Ondernemingskamer kan partijen op de zitting ook voorhouden wat haar inschatting is van de zaak en tot de conclusie brengen dat het beter is dat zij uit elkaar gaan. In plaats van een deskundige die het beleid in de b.v. moet onderzoeken kan dan een deskundige worden aangesteld die tot taak krijgt de waarde van de aandelen vast te stellen zodat deze door de ene partij aan de andere partij verkocht kunnen worden.
Het belang van de vennootschap
Bij de inhoudelijke beoordeling of sprake is van omstandigheden waardoor het belang van de b.v. zodanig wordt geschaad dat een aandeelhouder gedwongen moet vertrekken of verplicht moet worden de aandelen van zijn mede-aandeelhouder te kopen moet primair worden gekeken naar het belang van de vennootschap. Dit is dus een ander belang dan dat van de aandeelhouder. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een minderheidsaandeelhouder meent dat bepaalde kosten onnodig worden gemaakt waardoor de waarde van de aandelen daalt en er geen of minder ruimte is voor betalen van dividend. Het is duidelijk dat het maken van kosten ten nadele kan gaan van de belangen van de aandeelhouder, maar het kan heel goed zo zijn dat met deze kosten wel het belang van de vennootschap wordt gediend. Bijvoorbeeld doordat het huren van een nieuw, veel duurder kantoorpand op een A locatie maakt dat de vennootschap aantrekkelijker wordt voor potentiële werknemers op een krappe arbeidsmarkt.
Het belang van de vennootschap loopt dus niet parallel aan het belang van de aandeelhouders. Het belang van de vennootschap is het bevorderen van het succes van haar onderneming op de langere termijn. Het bestuur mag dus niet ‘dansen naar de pijpen van de aandeelhouders’ maar moet zelfstandige en objectieve afwegingen maken. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met iedereen die bij de onderneming is betrokken, zoals werknemers en schuldeisers. Dwingt een meerderheidsaandeelhouder het bestuur om keuzes te maken die vooral haar belang als aandeelhouder dienen en niet het belang van de b.v. Of is de meerderheidsaandeelhouder zelf bestuurder en handelt zij vooral vanuit haar eigen belang als aandeelhouder dan kan dat een reden zijn de Ondernemingskamer maatregelen te laten treffen. In de praktijk blijkt daarbij dat het feit dat een aandeelhouder (heel) lastig of vervelend is onvoldoende is om te kunnen concluderen dat het belang van de vennootschap wordt geschaad. Heel lastig of vervelend doen mag. Vaak heeft degene die zich daaraan schuldig maakt ook wel een excuus of tegenargument. De rechter vindt daar misschien wel iets van, maar dat is onvoldoende. De partij die maatregelen wil zal concreet moeten maken dat en hoe daadwerkelijk het belang van de vennootschap geschaad wordt.
Het recht op informatie
Een van de middelen die de aandeelhouder (die geen bestuurder is) heeft om het beleid en de gang van zaken in de b.v. te controleren is het recht op informatie. In de mkb-vennootschap is dat recht op informatie niet beperkt tot de mogelijkheid om jaarlijks op de Algemene vergadering van aandeelhouders vragen te stellen. De aandeelhouders moeten door het bestuur ruimhartig en pro-actief van informatie worden voorzien (zie het eerdere artikel Conflicten en tegenstrijdige belangen tussen aandeelhouders – LVH advocaten Rotterdam
In de praktijk blijkt het ‘recht op informatie’ in conflicten tussen de aandeelhouders vaak te worden ingezet als argument.
Het recht is bedoeld als middel voor de aandeelhouder om het beleid en de gang van zaken in de vennootschap te controleren, maar ontaardt in de praktijk vaak als splijtzwam tussen de aandeelhouder die tevens bestuurder is en de aandeelhouder die dat niet is. De aandeelhouder/bestuurder wil het verstrekken van informatie enigszins binnen de perken houden, want is beducht voor kritiek en bemoeienis die naar zijn mening onterecht is. De aandeelhouder/niet-bestuurder wil daarentegen zoveel mogelijk informatie, want is achterdochtig en kritisch over het beleid van het bestuur. Zij zoekt informatie, vaak niet enkel om te kunnen controleren, maar vooral ook om kritiek te kunnen uiten en onderbouwen. In dat spanningsveld moet het bestuur zich laten leiden door ‘het vennootschappelijk belang’ wat vaak heel lastig is. De neiging bestaat uiteraard om vanuit het eigen perspectief te kijken naar ‘die vervelende aandeelhouder’ die van alles wil en vindt.
In procedures blijkt dat de rechter, wellicht vanuit de aanname dat de bestuurder die tevens meerderheidsaandeelhouder is de neiging heeft zijn eigen belang te dienen, nogal kritisch is op het verstrekken van onvoldoende informatie. Ook wanneer er weinig of niets aan de hand is en het bestuur op zakelijke gronden, vanuit het belang van de vennootschap beslissingen heeft genomen is de rechter ontvankelijk voor de minderheidsaandeelhouder die het beleid ter discussie stelt. Wanneer beperkt informatie is verstrekt lijkt de rechter op voorhand kritisch ten opzichte van de handelwijze van het bestuur en blijkt het moeilijk de rechter te overtuigen met zakelijke argumenten en bewijs daarvan. Beste advies voor het bestuur om dit te voorkomen is dus om liever te veel informatie te verstrekken dan te weinig. Keerzijde daarvan is dan weer het risico op kritiek, discussie en escalatie uiteraard.
Informatie
Wilt u meer weten of heeft u vragen over dit onderwerp? Wij staan klaar om met u mee te denken! Neem contact op met Bouwe Bos.
