< terug naar overzicht

Wanneer een vlucht langdurig is vertraagd of wordt geannuleerd kan een passagier aanspraak maken op financiële compensatie op grond van EG-Verordening 261/2004. Op grond van artikel 16 van deze Verordening is Nederland verplicht om een nationale instantie aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de handhaving van deze regeling. In Nederland is dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu met uitvoering door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).

Indien een passagier vindt dat er aanspraak op compensatie kan worden gemaakt, dient hij of zij de luchtvaartmaatschappij hierom te verzoeken. De luchtvaartmaatschappij zal echter niet overgaan tot betaling van deze compensatie wanneer er sprake was van buitengewone omstandigheden. De passagier kan in dat geval aan (ILT) verzoeken om te toetsen of de luchtvaartmaatschappij gelijk heeft of dat de compensatie wel moet worden voldaan.

Tot op heden weigerde ILT om handhavend tegen een luchtvaartmaatschappij op te treden wanneer er compensatie betaald dient te worden maar de luchtvaartmaatschappij hier niet toe bereid is. Dit tot grote onvrede van diverse passagiers, die ten aanzien van dit gebrek aan handhaving hoger beroep aantekenden bij de Raad van State.

In deze procedures heeft de Raad van State vervolgens aan het Hof van Justitie in Luxemburg verzocht of ILT verplicht is om maatregelen tegen een luchtvaartmaatschappij te treffen – in individuele gevallen – wanneer geen compensatie wordt uitbetaald. De tekst van de verordening is op dit punt algemeen geformuleerd en biedt hierover dus geen uitsluitsel volgens de Raad. Bovendien staat de weg naar de civiele rechter reeds open voor de passagier die de betaling van compensatie wil afdwingen.

Op 17 maart 2016 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de taak van ILT is om een algemeen toezicht te houden om de rechten van vliegtuigpassagiers te waarborgen. Dit betekent dat ILT niet gehouden is om op te treden wanneer er een individuele klacht tegen een luchtvaartmaatschappij aan haar wordt voorgelegd. Nationale wetgeving kan die bevoegdheid wel verlenen, aldus het Hof in Luxemburg.

Bijgaand treft u aan de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 17 maart 2016 (in de gevoegde zaken C‑145/15 en C‑146/15). De Raad van State zal de behandeling van de door haar aangehouden zaken nu voortzetten met inachtneming van deze uitspraak.

Hebt u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Michelle Reevers.