< terug naar overzicht

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 21 Juni 2016 een interessante uitspraak gedaan over de periode van aansprakelijkheid van de vervoerder. De hoofdregel is dat de vervoerder zich van zijn taak heeft gekweten, wanneer hij de in ontvangst genomen goederen zonder schade of vertraging aflevert. Dus het moment van aflevering is een voor de vervoersovereenkomst belangrijk moment. Partijen kunnen van mening verschillen of wel of geen sprake is van aflevering en of er dus wel of geen sprake is van een einde van de aansprakelijkheidsperiode van de vervoerder.

CMR-verdrag

Het internationaal vervoer van zaken over de weg wordt geregeld door het Verdrag van Geneve van 1956, het CMR-Verdrag. De CMR heeft ook model gestaan voor de nationale regeling van het wegvervoer van boek 8 BW. In de CMR is geen concrete omschrijving gegeven wat nu precies moet worden verstaan onder de aflevering van goederen en wanneer daar sprake van is. Dat is ook niet zo vreemd. Een pakje wordt op een andere manier afgeleverd, dan – zeg – een zeiljacht. De aflevering bij een slijterij op de hoek gaat per rolcontainer. Bij een distributiecentrum hoeft slechts aan het dok geparkeerd te worden. De al dan niet expliciet gemaakte afspraken over aflevering verschillen dus, en soms weet niemand wat nu precies is afgesproken.

Om die reden hebben inmiddels diverse soorten variaties op de aflevering de rechterlijke revue gepasseerd. Per situatie zal de vraag moeten worden beantwoord of er daadwerkelijk  sprake is van een ‘aflevering van goederen’ en of daarmee de aansprakelijkheidsperiode van de vervoerder ten einde is gekomen.

Aflevering van goederen

In Nederland wordt aangenomen dat sprake is van aflevering van goederen wanneer de vervoerder de macht over de goederen opgeeft na wilsovereenstemming met de geadresseerde. Indien de geadresseerde zorg draagt voor de lossing moet de vervoerder de geadresseerde in staat stellen om de feitelijke macht over de vervoerde goederen te kunnen uitoefenen. Wanneer de geadresseerde zorg draagt voor de lossing van de goederen ligt het moment van aflevering voor het feitelijk lossen, want de feitelijke macht over de goederen is reeds overgedragen aan de geadresseerde voordat met de lossing wordt aangevangen. Het moment van de aflevering kan ook later plaatsvinden, namelijk wanneer de vervoerder zich heeft verplicht om naast het vervoer ook zorg te dragen voor de lossing.

Uitspraak Hof Arnhem/Leeuwarden 21 juni 2016

In deze zaak ging het om schade aan een prototype van een geautomatiseerde inpak- en snijtafel. Deze schade was ontstaan tijdens het lossen van de lading. Zoals aangegeven moeten partijen zelf overeenkomen wie er zorg draait voor lossing van de lading. In dit geval had de afzender de vervoerder de uitdrukkelijke instructie gegeven, en dit ook op de vrachtbrief vermeld, dat vanwege de waarde en kwetsbaarheid van de zending er een vertegenwoordiger van de afzender bij het lossen aanwezig moest zijn.

Zonder deze persoon mocht er niet gelost worden. Omdat de persoon niet aanwezig was en volgens de chauffeur ook niet bereikt kon worden, begon de ontvanger de goederen te lossen waarbij de goederen beschadigd werden. De afzender stelde de vervoerder hiervoor aansprakelijk. Dit werd door de rechtbank toegewezen. De vervoerder ging tegen deze uitspraak in beroep bij het gerechtshof.

Standpunt van vervoerder

De vervoerder stelde niet aansprakelijk te zijn. Doordat de vervoerder niet is aangewezen om te lossen zijn de goederen bij aankomst op de bestemming reeds afgeleverd. Volgens de vervoerder was het aansprakelijkheidsperiode derhalve al geëindigd. Verder was de schade door een medewerker van de ontvanger veroorzaakt en niet door de vervoerder zelf. Hierdoor was er volgens de vervoerder geen sprake van aansprakelijkheid aan zijn zijde.

Oordeel Hof

Het Hof ging hier niet in mee. Het Hof overwoog dat een vervoerder onder de CMR in het algemeen niet verplicht is de lading te lossen. Partijen hebben hier ook geen afspraken over gemaakt. Met het aanbieding van de lading door de vervoerder aan de geadresseerde is de vervoersovereenkomst geëindigd. Doordat de schade hierna pas is ontstaan, is de vervoerder hiervoor op grond van de CMR niet aansprakelijk. Tot zover gaat het Hof mee met het verweer van de vervoerder.

Dit laat volgens het Hof onverlet dat de vervoerder naar het toepasselijke nationale recht voor deze schade aansprakelijk kan zijn, indien zij is tekortgeschoten in een andere verbintenis dan die tot het vervoer van de goederen. Dit is volgens het Hof in deze zaak het geval. De vervoerder is – door zich niet te houden aan de uitdrukkelijk aan haar gegeven instructie dat de lading in het bijzijn van een vertegenwoordiger diende te worden gelost – tekortgeschoten en is daarmee aansprakelijk voor de schade. Het feit dat de schade feitelijk niet is toegebracht door de vervoerder maar door een medewerker van de geadresseerde, acht het Hof niet van belang.

Conclusie

Het transportbedrijf wordt niet aansprakelijk gehouden als vervoerder (onder de CMR), maar omdat zij de door haar aanvaarde (aanvullende) verbintenis niet is nagekomen. Omdat deze aansprakelijkheid niet is geregeld in de CMR, kan de vervoerder zich ook niet beroepen op eventuele uitsluitingen en beperkingen zoals in dit verdrag zijn geregeld.

Systematisch lijkt de overeenkomst niet geheel juist. Partijen hebben geen andere overeenkomst gesloten dan de vervoersovereenkomst. Verder maakt een aantekening op de vrachtbrief onderdeel uit van de afspraken tussen de vervoerder en de opdrachtgever van de vervoerder. Het komt gekunsteld over om deze afspraak te zien als een afspraak die los staat van de vervoersovereenkomst. Het lijkt juister om te oordelen dat de aansprakelijkheidsperiode nog niet geheel geëindigd was, of dat in strijd met instructie van de afzender afgeleverd is. De zaak ging over een schade van circa € 2.000,00; het ligt niet voor de hand dat cassatie wordt ingesteld.

Informatie

Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Hein Kernkamp.