< terug naar overzicht

Een franchisenemer heeft met succes een kort geding aangespannen tegen haar franchisegever Bruna. De voorzieningenrechter heeft als zijnde ordemaatregel bij vonnis geoordeeld dat Bruna de door haar opgezegde franchise- en (onder)huurovereenkomst moet nakomen.

Inleiding

Op basis van een franchise- en (onder)huurovereenkomst exploiteert franchisenemer al ruim vijfentwintig jaar een Bruna-winkel. Zowel in de franchise- als in de (onder)huurovereenkomst is een koppeling opgenomen, inhoudende dat als de franchiseovereenkomst eindigt alsdan eveneens de (onder)huurovereenkomst eindigt en vice versa.

Op verzoek van Bruna heeft de deurwaarder bij exploot van 27 januari 2017 aan franchisenemer een brief betekend waarin zowel de franchise- als (onder)huurovereenkomst tegen 31 januari 2018 respectievelijk 1 februari 2018, zonder reden voor beëindiging, zijn opgezegd. Een maand eerder had Bruna franchisenemer gesommeerd de betalingsachterstand van ruim tachtigduizend euro binnen dertig dagen te voldoen. Bruna dreigde anders met een leveringsstop.

Het geschil

Naar aanleiding van de opzeggingsbrief van Bruna spande franchisenemer een kort geding aan om Bruna onder meer te verplichten de franchise- en (onder)huurovereenkomst integraal en deugdelijk na te komen. Franchisenemer exploiteerde namelijk ruim 25 jaar een Bruna winkel en wilde dit ook na 31 januari 2018 voortzetten. In dit kader gaf franchisenemer aan dat hij voor zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin afhankelijk is van het voortbestaan van de franchiseovereenkomst met Bruna en dat Bruna zijn winkel nagenoeg gratis zou kunnen overnemen.

Voorts stelde franchisenemer dat hij, gelet op zijn leeftijd in combinatie met zijn ziekte, moeilijk ander werk zou kunnen vinden.

Bovendien betoogde franchisenemer dat hij nog steeds meer dan een voortreffelijke franchisenemer is alsook een redelijke grond voor opzegging van de franchiseovereenkomst ontbreekt.

Tijdens het kort geding heeft Bruna duidelijk gemaakt dat opzegging van de franchise- en (onder)huurovereenkomst niet is ingegeven door de betalingsachterstand van franchisenemer, maar dat zij grote twijfels heeft of franchisenemer in staat zal zijn om de Bruna-winkel nog rendabel te kunnen exploiteren. Franchisenemer was vanwege zijn ziekte namelijk niet in staat om fulltime in zijn winkel te staan en was daardoor genoodzaakt extra personeelskosten te maken. Volgens Bruna waren om deze reden de personeelskosten (te) hoog voor een rendabele exploitatie.

Oordeel

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet in een bodemprocedure blijken of het voorgaande een redelijke grond voor opzegging is en het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het niet rendabel kunnen exploiteren van de Bruna-winkel een redelijke grond voor opzegging van de franchiseovereenkomst zal kunnen zijn. “Het is in het kader van dit kort geding echter vooralsnog onduidelijk of daarvan sprake is”, aldus de voorzieningenrechter. Om deze reden moet Bruna bij wijze van ordemaatregel tot de uitkomst van de bodemprocedure de franchise- en (onder)huurovereenkomst integraal nakomen.

Voor franchisegevers is het derhalve opletten geblazen bij (tussentijdse) beëindiging van de franchise- en (onder)huurovereenkomst.

Informatie

Hebt u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met ons kantoor op telefoonnummer 010 – 209 27 77 of per e-mail info@lvh-advocaten.nl.