< terug naar overzicht

Het gebruik van een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder kan het risico op bestuurdersaansprakelijkheid beperken. Onlangs bevestigde de Hoge Raad een arrest uit 2011 met betrekking tot deze kwestie.

Een bestuurder kan om verscheidene redenen persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor schulden van de rechtspersoon. Echter, niet altijd is een bestuurder van een rechtspersoon een natuurlijk persoon, doch eveneens een rechtspersoon.

Indien de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is, geldt ingevolge artikel 2:11 BW dat tevens de bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is. Er wordt zodoende ‘doorgebroken’ naar de natuurlijk persoon als bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder. Is ook die bestuurder een rechtspersoon, dan kan opnieuw de regel van artikel 2:11 BW worden toegepast, totdat men bij de natuurlijk persoon als bestuurder uitkomt (zie schema). De natuurlijk persoon kan vervolgens naast de rechtspersoon-bestuurder hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden.

Schema:

Bestuurder (natuurlijk persoon)
^
Rechtspersoon-bestuurder
^
Rechtspersoon-bestuurder
^
Rechtspersoon
 

De regel van artikel 2:11 BW is ingevoerd om misbruik van rechtspersonen als bestuurder tegen te gaan. Artikel 2:11 BW geldt slechts zolang de vennootschapsrechtelijke verhouding door Nederlands recht wordt beheerst. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een bestuurder slechts ingevolge artikel 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden, indien de door hem bestuurde rechtspersoon-bestuurder een rechtspersoon naar Nederlands recht is.  Kortom, bestuurders kunnen een rechtspersoon-bestuurder naar buitenlands recht ‘tussenvoegen’ om zodoende het risico op hoofdelijke aansprakelijkheid te beperken.

Informatie

Hebt u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met ons kantoor op nummer 010 – 209 27 77 of via info@lvh-advocaten.nl.

Categories: berichten, nieuws