< terug naar overzicht

Onlangs heeft de Tweede Kamer een wetsvoorstel aangenomen, waarmee de Aanbestedingswet in overeenstemming wordt gebracht met de nieuwe Europese Aanbestedingsrichtlijn. Naar verwachting zal de wetswijziging op 1 juli 2016 in werking treden.

Dit heeft gevolgen voor de gunning van overheidsopdrachten. De aanbestedende dienst zal niet langer naar eigen goeddunken kunnen kiezen voor een gunningscriterium. In plaats daarvan zal de aanbestedende dienst gebonden zijn aan het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Daarbij geldt het uitgangspunt, dat de inschrijving met de beste prijs-kwaliteitverhouding, als de economisch meest voordelige moet worden aangemerkt. Dat wordt de heersende norm. Kwalitatieve aspecten zullen dus in beginsel moeten worden meegewogen.

De wet zal onder voorwaarden nog de mogelijkheid bieden te kiezen voor één van de twee andere normen die vaak worden gebruikt, die van de laagste prijs en die van de laagste kosten berekend op basis van kosteneffectiviteit. De aanbestedende dienst zal overtuigend moeten motiveren waarom de keuze voor een dergelijke norm in de gegeven situatie gerechtvaardigd is. Deze mogelijkheid zal worden uitgezonderd voor bepaalde categorieën opdrachten en aanbestedende diensten. Voor die categorieën zal alleen een gunning volgens de norm van de beste prijs-kwaliteitverhouding zijn toegestaan. De minister van Economische Zaken zal die categorieën in nadere regelgeving aanwijzen. Naar verwachting zal hij zich daarbij vooral richten op de zorgsector.

Met deze wetswijziging lijkt de bezuinigingsdrift bij aanbestedende diensten dus enigszins aan banden gelegd. De eenzijdige gerichtheid op prijs en kosten kan tot wantoestanden leiden, zeker in sectoren die maatschappelijk onmisbare taken vervullen. Het is te hopen dat de wijziging ook daadwerkelijk het gewenste effect sorteert en een redelijk evenwicht herstelt tussen de aandacht voor kwaliteit en het streven naar kostenmatiging.

Hebt u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Daniël van Genderen.