Over de Auteurs: Jamie Janssen

De kantonrechter in Dordrecht heeft op 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:1215) geoordeeld dat een werknemer die langer dan twee jaar arbeidsongeschikt is en een zogenoemd slapend dienstverband heeft, geen nieuwe vakantiedagen meer opbouwt. Daarmee sluit deze uitspraak aan bij eerdere rechtspraak van onder meer de kantonrechters in Groningen en Rotterdam. De beslissing wijkt af van een eerdere uitspraak van de kantonrechter Arnhem uit 2025, waarin juist wél werd aangenomen dat tijdens een slapend dienstverband vakantiedagen konden worden opgebouwd. Inmiddels lijkt er wel sprake te zijn van een vaste lijn in de jurisprudentie en is het wachten op een soortgelijk oordeel van een Gerechtshof.

Wat speelde er in deze zaak?

De werknemer in deze kwestie was sinds april 2017 in dienst bij zijn werkgever. In oktober 2022 raakte hij arbeidsongeschikt en sindsdien verrichtte hij geen werkzaamheden meer. Na afloop van de wachttijd van 104 weken ontving hij per 9 oktober 2024 een IVA‑uitkering. Vanaf dat moment was sprake van een zogenaamd ‘slapend dienstverband’: de arbeidsovereenkomst bleef formeel bestaan, maar de kernverplichtingen – werken en loon betalen – werden niet langer nageleefd.

De werknemer verzocht zijn werkgever herhaaldelijk om mee te werken aan beëindiging van het dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding (de zogenoemde ‘Xella‑route’). Toen de werkgever dit weigerde, stapte de werknemer naar de kantonrechter. Hij verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betaling van een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding en uitbetaling van openstaande vakantiedagen en vakantiebijslag.

Ontbinding en vergoeding

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever geen redelijk belang had bij voortzetting van het slapende dienstverband. Op grond van goed werkgeverschap had de werkgever moeten meewerken aan beëindiging daarvan. De arbeidsovereenkomst werd daarom ontbonden en aan de werknemer werd een schadevergoeding toegekend ter hoogte van het netto equivalent van de transitievergoeding.

Opbouw en uitbetaling van vakantiedagen

Het geschil spitste zich met name toe op de vraag of de werknemer na afloop van de wachttijd nog vakantiedagen had opgebouwd. In totaal claimde de werknemer 312 niet‑opgenomen vakantie‑uren. Daarvan waren 152 uren opgebouwd vóór het einde van de wachttijd en 160 uren daarna, dus tijdens het slapend dienstverband.

De kantonrechter maakte hier een duidelijk onderscheid. De tot het einde van de wachttijd opgebouwde vakantiedagen moesten worden uitbetaald. Voor de periode daarna oordeelde de kantonrechter echter dat geen sprake was van vakantie‑opbouw.

Artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt dat vakantiedagen alleen worden opgebouwd over perioden waarin recht bestaat op loon. Volgens de werknemer moest deze bepaling buiten toepassing blijven wegens strijd met Europese regelgeving, met name artikel 31 lid 2 van het EU‑Handvest en Richtlijn 2003/88/EG. De werknemer voerde aan dat het recht op jaarlijkse betaalde vakantie een fundamenteel recht uit het Europese recht is, dat ook tijdens ziekte in beginsel blijft bestaan. Daarom stelde hij dat artikel 7:634 lid 1 BW in dit geval buiten toepassing moest blijven en dat ook tijdens het slapend dienstverband vakantiedagen waren opgebouwd.

De kantonrechter volgde dit betoog niet. Onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU overwoog de kantonrechter dat zich bij een slapend dienstverband specifieke omstandigheden voordoen die een afwijking van het fundamentele recht op jaarlijkse betaalde vakantie rechtvaardigen.

Geen recuperatiefunctie en geen dubbele aanspraak

Volgens de kantonrechter verliest de vakantie bij een slapend dienstverband haar kernfunctie. Vakantie is bedoeld om te herstellen van verrichte arbeid. De werknemer met een slapend dienstverband verricht geen arbeid meer en heeft ook geen re‑integratieverplichtingen. Er is dus geen werk om van te herstellen (de zogenaamde ‘recuperatiefunctie’).

Daarnaast speelt mee dat de werknemer na twee jaar ziekte recht heeft op een uitkering (in dit geval een IVA‑uitkering, onderdeel van de WIA), waarin eveneens een aanspraak op betaalde vakantie is verdisconteerd. Als in dezelfde periode ook nog vakantiedagen bij de werkgever zouden worden opgebouwd, zou dat neerkomen op een dubbele aanspraak. Om die reden acht de kantonrechter artikel 7:634 lid 1 BW niet in strijd met het Europese echt.

De conclusie is dat na het einde van de wachttijd geen vakantiedagen meer worden opgebouwd en dat de werknemer geen recht heeft op uitbetaling van deze uren bij beëindiging van het dienstverband.

Betekenis voor de praktijk

Deze uitspraak sluit aan bij eerdere uitspraken van de kantonrechters in Groningen en Rotterdam, waarin is geoordeeld dat na twee jaar ziekte tijdens een slapend dienstverband geen verdere vakantiedagen worden opgebouwd. Daarmee lijkt zich in de rechtspraak een bestendige lijn af te tekenen, al blijft alertheid geboden.

Wilt u meer weten of heeft u vragen over dit onderwerp? Onze advocaten Arbeidsrecht staan klaar om met u mee te denken! Neem contact op met Richard Ouwerling en Jamie Janssen, Advocaat Arbeidsrecht bij LVH Advocaten.

Categorieën: berichten, nieuws, PersoneelLabel: